novum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·vum
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘nieuw feit’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
  • van het Latijn, onzijdige vorm van novus "nieuw", dus "iets nieuws" [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord novum nova, novums
verkleinwoord novumpje novumpjes

Zelfstandig naamwoord

novum o

  1. iets nieuws
  2. (juridisch) voor het eerst in cassatie opgeworpen bedenking
  3. (juridisch) nieuwe feiten en/of omstandigheden op grond waarvan kan worden teruggekomen op een zaak, in afwijking van het "ne bis in idem"-beginsel

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen