nader

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Zelfstandig geworden vergelijkende trap van na.
stellend
onverbogen nader
verbogen nadere
partitief naders

Bijvoeglijk naamwoord

nader [1]

  1. vanaf geringere afstand of in groter detail uitgevoerd
    • Bij nadere inspectie bleek het toch een ongeluk geweest te zijn. 
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • nadere inlichtingen inwinnen
meer bijzonderheden opvragen
  • nadere informatie geven
toelichting geven
Uitdrukkingen en gezegden
  • het hemd is nader dan de rok
men denkt toch eerst aan eigen belang
  • Tot nader order
tot een later bevel (oftewel 'voorlopig')
Anagrammen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

nader

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van na

Werkwoord

vervoeging van
naderen

nader

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naderen
    • Ik nader. 
  2. gebiedende wijs van naderen
    • Nader! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naderen
    • Nader je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen