naïviteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·i·vi·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord naïviteit naïviteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

naïviteit v [1]

  1. het nog niet gevormd of beschadigd zijn door het leven en daardoor wereldvreemd
    • Wat we door de afwijzing van de televisie nog buiten de huiskamer probeerden te houden, hebben we via onder meer (ongefilterd!) internet en iPhone dubbel en dwars binnengehaald. Spreekt er uit deze ontwikkeling niet een groot stuk naïviteit? [2] 
    • Waarschijnlijk is het management, zonder dat Dotan het wist, uit naïviteit en enthousiasme met dat trollenleger begonnen. Ik vraag me af of Dotan dat in de gaten had. Hem kennende waarschijnlijk niet. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen