mono-

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Huidig
bestand
17
Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·no-

Niet in de woordenlijst van de Taalunie

Woordherkomst en -opbouw

Voorvoegsel

mono- [2]

  1. uit één onderdeel bestaand of op één persoon of zaak betrekking hebbend
  2. betrekking hebbend op registratie op één spoor of reproductie via één kanaal
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal