mono-

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Huidig
bestand
38
Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·no-

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Woordherkomst en -opbouw

Voorvoegsel

mono- [2]

  1. uit één onderdeel bestaand of op één persoon of zaak betrekking hebbend
  2. betrekking hebbend op registratie op één spoor of reproductie via één kanaal
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen

Verwijzingen