messias

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Messias

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mes·si·as
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord messias messiassen
verkleinwoord messiasje messiasjes

Zelfstandig naamwoord

messias m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (religie) titel in de Tenach (OT) ter aanduiding van een priester of koning, die tot zijn functie gezalfd wordt; het woord wordt daarbij vaak gevolgd door 'van de Heer'; in vertalingen gewoonlijk niet 'messias', maar 'gezalfde' (39×: Lev. 4:3 +, 1 Sam. 2:10 +, 2 Sam. 1:14 +, Jes. 45:1, Hab. 3:13, Ps. 2:2 +, Klaagl. 4:20, Dan. 9:25 +, 1 Kron. 16:22, 2 Kron. 6:42); later aanduiding van een heilbrenger of de verwachte Heilbrenger; 'messias' of 'Messias' is de Griekse versie van het Hebreeuwse woord (2× in NT), 'Christos' is de Griekse vertaling daarvan (529× in NT), 'Christus' in het Latijn. Er wordt ontkent dat Jezus Christus de Messias is
  2. (religie) in het christendom gelooft men dat de Messias is gekomen in de persoon van Jezus als Christus, de Gezalfde
  3. (religie) binnen de islam wordt algemeen aangenomen dat de profeet Jezus de messias is
  4. onheilsprofeet
  5. (figuurlijk) iemand die de grote verlosser en geestelijk leider is
    • Luitenant Pradelle heeft zich naar zijn troepen omgedraaid, met zijn blik de ogen van de voorste mannen links en rechts gezocht, die hem aanstaren als was hij de messias. Hij heeft geknikt en diep ademgehaald. [2] 
Opmerkingen
  • Hoofdlettergebruik: als naam gebruikt: Messias; als titel: messias
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  2. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 18