mentaal
Uiterlijk
- men·taal
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘m.b.t. de geest’ voor het eerst aangetroffen in 1620 [1]
- afgeleid van het Latijnse mēns (geest, intellect) met het achtervoegsel -aal [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | mentaal | mentaler | mentaalst |
| verbogen | mentale | mentalere | mentaalste |
| partitief | mentaals | mentalers | - |
mentaal
- (medisch) verband houdend met de geest en het gevoel
- ▸ Ik vertelde over een artikel dat ik ooit had gelezen over mentale kracht waar ik veel aan had gehad de afgelopen zware dagen.[3]
- gevoelsmatig
- ▸ Mentaal was het nogal omschakelen van kilometers naar mijlen.[3]
- Het woord mentaal staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "mentaal" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "mentaal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ mentaal op website: Etymologiebank.nl
- 1 2 Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be