brein

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brein
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hersens’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • uit het Middelnederlands [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord brein breinen
verkleinwoord breintje breintjes

Zelfstandig naamwoord

brein o [3]

  1. (anatomie) het zich in de schedel bevindende orgaan dat het denkvermogen herbergt
    • Wat gaat er om in je brein, wanneer je dat meemaakt? 
     Het ritme van het lopen met soms wel 70.000 stappen per dag vormde een innerlijke kadans, waarvan sommige wetenschappers beweren dat er op deze manier een inventieve samenwerking ontstaat tussen de twee helften van je brein.[4]
  2. iemand met een goed denkvermogen wiens denken achter een bepaalde organisatie of gebeurtenis te zoeken is
    • Hij was het brein van die bende misdadigers.  [5]
     Brein achter omstreden Zweedse coronastrategie geeft fouten toe[6]
  3. het verstand, het geestvermogen dat zetelt in de hersenen
    • Een brein kun je niet opereren, in het brein zit geen tumor of een bloeding: dat kan allemaal wel met de hersenen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen


Bretons

Bijvoeglijk naamwoord

brein

  1. rot