meivis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

meivis
Uitspraak
Woordafbreking
  • mei·vis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meivis meivissen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

meivis m [1]

  1. vissen die in het voorjaar gevangen worden
     In het project werken inwoners, organisaties en overheden langs de Rijn samen om de leefbaarheid van de rivier te verbeteren voor niet alleen de zalm, maar ook voor de zeeforel, meivis en lamprei.[2]
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Recordaantal zalmen in Duitse Rijn” (03-06-2015), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be