haring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ring
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1101 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord haring haringen
verkleinwoord harinkje harinkjes

Zelfstandig naamwoord

haring m

  1. (voeding) (vissen) Clupea harengus op Wikispecies, zilvergrijze zoutwatervis, geschikt voor comsumptie
  2. soort pen waarmee de scheerlijnen van een tent in de bodem bevestigd worden, tentharing
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen