medeplichtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·de·plich·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘opzettelijk behulpzaam bij een misdrijf’ voor het eerst aangetroffen in 1558 [1]
  • samenstelling 'mede' ook en Middelnederlands 'plichtig' schuldig
  • Samenstellende afleiding van mede en de stam van plegen met het achtervoegsel -ig [2]
Vaste voorzetsels
  • medeplichtig zijn aan
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen medeplichtig medeplichtiger medeplichtigst
verbogen medeplichtige medeplichtigere medeplichtigste
partitief medeplichtigs medeplichtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

medeplichtig

  1. (juridisch) bewust bijgedragen hebbend tot een bepaalde wandaad
    • De aan berovingen medeplichtige man werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenis. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen