maskeren
Uiterlijk
- mas·ke·ren
- [A] met het achtervoegsel -eren van Frans masquer ww , in de betekenis van ‘verbergen’ voor het eerst aangetroffen in 1635 [1] [2]
- [B] afgeleid van masker zn met het achtervoegsel -en [3]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| maskeren |
maskeerde |
gemaskeerd |
| zwak -d | volledig | |
[A] maskéren
- overgankelijk de ware aard van iets verhullen
- Sterke kruiden maskeerden de smaak van het halfbedorven vlees.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| maskeren |
maskerde |
gemaskerd |
| zwak -d | volledig | |
[B] máskeren
- wederkerend zich ~: een masker opzetten.
- Zij maskerden zich voor een gemaskerd bal.
- Het woord maskeren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "maskeren" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ "maskeren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Heteroniem in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -eren in het Nederlands
- Achtervoegsel -en in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Wederkerend werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %