marteling

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·te·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord marteling martelingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

marteling v

  1. het opzettelijk toebrengen van pijn en letsel aan een gevangene die zich niet weren kan
    De martelingen in die gevangenis zijn berucht.
Synoniemen
Vertalingen