marteling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·te·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord marteling martelingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

marteling v

  1. het opzettelijk toebrengen van pijn en letsel aan een gevangene die zich niet weren kan
    • De martelingen in die gevangenis zijn berucht. 
  2. (figuurlijk) iets dat heel pijnlijk is
     In het kantoor aan de Strandvâgen had het niet gevoeld alsof de bandopname langer duurde dan tien minuten. Hier in de rechtszaal was het alsof die nooit zou eindigen, een eeuwigdurende marteling.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044633535
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be