marlen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
marlen
marlde
gemarld
zwak -d volledig

Werkwoord

marlen

  1. overgankelijk (scheepvaart) met een marlsteek vastzetten
    • Je kunt dat wel marlen, maar het zal niet eenvoudig zijn de steek weer los te krijgen. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

8 % van de Nederlanders;
10 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be