mailen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mai·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mailen
mailde
gemaild
zwak -d volledig

Werkwoord

mailen

  1. overgankelijk per elektronische post verzenden
    • Hij heeft mij gisteren de vakantiefoto's gemaild. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.