mail

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mail
enkelvoud meervoud
naamwoord mail mails
verkleinwoord mailtje mailtjes

Zelfstandig naamwoord

mail v/m

  1. een elektronische brief
    • Die mails moet je niet openen, dat is allemaal spam. 
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
mailen

mail

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mailen
    • Ik mail. 
  2. gebiedende wijs van mailen
    • Mail! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mailen
    • Mail je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie