Naar inhoud springen

mail

Uit WikiWoordenboek
  • mail
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘brievenpost’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord mail mails
verkleinwoord mailtje mailtjes

demailv/m

  1. een elektronische brief
    • Die mails moet je niet openen, dat is allemaal spam. 
     Als een volleerde reisleider som ik op wat ik van de mail van mijn moeder heb onthouden.[2]
     Als je wilt, stuur ik je zijn mail door. Kort daarop besloot ik onderzoek te doen naar de vrouw die Milan gevormd had tot de man die hij kennelijk was geworden.[3]
vervoeging van
mailen

mail

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mailen
    • Ik mail. 
  2. gebiedende wijs van mailen
    • Mail! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mailen
    • Mail je? 
     Ik mail je wel een link en alle info over de film en de scènes die je moet voorbereiden.[4]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. "mail" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  4. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be