losrukken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·ruk·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
losrukken
rukte los
losgerukt
zwak -t volledig

Werkwoord

losrukken

  1. overgankelijk met een ruk losmaken
    • Hij heeft het stuk touw van de muur losgerukt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.