arracher
Uiterlijk
- Ontwikkeld uit Oudfrans arrachier, vervormd uit esrachier, uit Latijn exradicare, variant van eradicare "ontwortelen" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| arracher |
arrachais |
arraché |
| eerste groep | volledig | |
arracher
- (plantkunde) ontwortelen, ontrukken
- uittrekken
- (figuurlijk) afdwingen
- «Ils arrachèrent une demi-promesse que je n’aurais pas obtenue seul.»[2]Zij dwongen een halve belofte af, die ik in mijn eentje niet had kunnen krijgen
- «Ils arrachèrent une demi-promesse que je n’aurais pas obtenue seul.»[2]
- (figuurlijk) ontlokken (tranen, zuchten, e.d.)
- (figuurlijk) afhouden (van werk, studie)
- (figuurlijk) (spreektaal) afnokken, opkrassen [3]
- (figuurlijk) (spreektaal) heftig zijn, er flink tegenaan gaan [3]
- ↑ arracher (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
. - ↑ Jean-Guillaume Hyde de Neuville“Mémoires et souvenirs”, volume 1 (1894), p. 37
- 1 2 Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 16