lokaliseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·ka·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tot een plaats beperken, een plaats toekennen’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van het Franse localiser (met het achtervoegsel -iseren)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lokaliseren
lokaliseerde
gelokaliseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

lokaliseren

  1. overgankelijk afbakenen
  2. de plaats vaststellen van
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen