logisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·gisch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘m.b.t. de logica’ voor het eerst aangetroffen in 1735 [1]
  • met het voorvoegsel logo- en met het achtervoegsel -isch [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen logisch logischer
verbogen logische logischere
partitief logisch logischers -

Bijvoeglijk naamwoord

logisch

  1. voor de hand liggend
     ‘Wat vindt je vrouw ervan dat je zo lang weg bent?’ Deze vraag werd mij veelvuldig gesteld, zowel van tevoren als bij terugkomst. Op zich een logische vraag.[3]
  2. (wiskunde) betrekking hebbend op de logica
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Duits

Bijvoeglijk naamwoord

logisch

  1. logisch