logisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lo·gisch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘m.b.t. de logica’ voor het eerst aangetroffen in 1735 [1]
  • met het voorvoegsel logo- en met het achtervoegsel -isch [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen logisch logischer
verbogen logische logischere
partitief logisch logischers -

Bijvoeglijk naamwoord

logisch

  1. voor de hand liggend
  2. (wiskunde) betrekking hebbend op de logica
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Duits

Bijvoeglijk naamwoord

logisch

  1. logisch