kwaker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwa·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kwaker kwakers
verkleinwoord kwakertje kwakertjes

Zelfstandig naamwoord

kwaker m [2]

  1. (informeel) eend, kikker
    • Kan het nog aandoenlijker? Twee dwergnijlpaarden die in de Rotterdamse Diergaarde Blijdorp wonen, helpen een klein eendje dat tevergeefs probeert om op de kant te komen. Dankzij een klein zetje wordt de kleine kwaker gered. ,,Het maakt mijn hele dag goed!" vertelt Breshna Senchi uit Vlaardingen die het voor haar ogen zag gebeuren en filmde. [3] 
  2. iemand die een hoop onzin uitkraamt
    • Renckens vervolgt dat Van Berkum tijdens de zitting van de tuchtcommissie 'enorm door de mand viel'. Zelf ziet dr. Frank het heel anders. 'De heren van de "vereniging voor kwakers" zaten met hun mond vol tanden.' [4] 
  3. lid van een door George Fox gestichte christelijke gemeenschap
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen