kwak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kwak [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwak
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vissersvaartuig’ voor het eerst aangetroffen in 1889 [1]
  • klanknabootsing
enkelvoud meervoud
naamwoord kwak kwakken
verkleinwoord kwakje kwakjes

Zelfstandig naamwoord

kwak m

  1. hoeveelheid kleverig of gelei-achtig materiaal
    • Er viel een kwak mayonaise op mijn broek. 
  2. (vogels) bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax op Wikispecies
    • De kwak broedt in de zoete en zoute draslanden van Afrika, Europa, Azië en Amerika. 
  3. gedroogde en gemalen cassave
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kwakken

kwak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakken
    • Ik kwak. 
  2. gebiedende wijs van kwakken
    • Kwak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakken
    • Kwak je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen