kwak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kwak [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwak
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vissersvaartuig’ voor het eerst aangetroffen in 1889 [1]
  • klanknabootsing
enkelvoud meervoud
naamwoord kwak kwakken
verkleinwoord kwakje kwakjes

Zelfstandig naamwoord

kwak m

  1. een hoeveelheid kleverig of gelei-achtig materiaal
    • Er viel een kwak mayonaise op mijn broek. 
  2. (vogels) Nycticorax nycticorax; een reigersoort, ook nachtreiger genaamd
    • De kwak broedt in de zoete en zoute draslanden van Afrika, Europa, Azië en Amerika. 
  3. gedroogde en gemalen cassave
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kwakken

kwak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakken
    • Ik kwak. 
  2. gebiedende wijs van kwakken
    • Kwak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakken
    • Kwak je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen