kwak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Kwak [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kwak kwakken
verkleinwoord kwakje kwakjes

Zelfstandig naamwoord

kwak m

  1. een hoeveelheid kleverig of gelei-achtig materiaal
    • Er viel een kwak mayonaise op mijn broek. 
  2. (vogels) Nycticorax nycticorax; een reigersoort, ook nachtreiger genaamd
    • De kwak broedt in de zoete en zoute draslanden van Afrika, Europa, Azië en Amerika. 
  3. gedroogde en gemalen cassave
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kwakken

kwak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakken
    • Ik kwak. 
  2. gebiedende wijs van kwakken
    • Kwak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kwakken
    • Kwak je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.