kruisvaarder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruis·vaar·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van kruis en de stam van varen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord kruisvaarder kruisvaarders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kruisvaarder m

  1. (middeleeuwen) iemand die deelnam aan de militaire bezetting van het Heilige Land tussen 1095-1291
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kruisvaarder kruisvaarders

Zelfstandig naamwoord

kruisvaarder

  1. (middeleeuwen) kruisvaarder