kruisvaarder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruis·vaar·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van kruis en de stam van varen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord kruisvaarder kruisvaarders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kruisvaarder m

  1. (middeleeuwen) iemand die deelnam aan de militaire bezetting van het Heilige Land tussen 1095-1291
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kruisvaarder kruisvaarders

Zelfstandig naamwoord

kruisvaarder

  1. (middeleeuwen) kruisvaarder