kreupel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kreu·pel
stellend
onverbogen kreupel
verbogen kreupele

Bijvoeglijk naamwoord

kreupel

  1. dusdanig aan lichamelijk letsel onderhevig dat men zich niet of niet goed kan voortbewegen
    Hij werd met die slag met het zwaard van zijn tegenstander niet gedood maar wel kreupel geslagen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kreupelen

kreupel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kreupelen
    Ik kreupel.
  2. gebiedende wijs van kreupelen
    Kreupel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kreupelen
    Kreupel je?