kreupelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kreu·pe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kreupelen
kreupelde
gekreupeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kreupelen

  1. overgankelijk kreupel slaan, een persoon of dier dusdanig letsel toebrengen dat het zich voortbewegen blijvend bemoeilijkt of onmogelijk wordt
    • Het paard werd door de aandoening aan zijn hoeven gekreupeld. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kreupelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kreupele

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be