korst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • korst
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rand van iets die taaier is dan de rest’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord korst korsten
verkleinwoord korstje korstjes

Zelfstandig naamwoord

korst v/m

  1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
    • Kinderen willen vaak de korst van hun brood niet opeten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
korsten

korst

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van korsten
  2. gebiedende wijs van korsten

Verwijzingen