knuppel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knup·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knuppel knuppels
verkleinwoord knuppeltje knuppeltjes

Zelfstandig naamwoord

knuppel m

  1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
    • De bende kwam de straat in met knuppels en kettingen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
knuppelen

knuppel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knuppelen
    • Ik knuppel. 
  2. gebiedende wijs van knuppelen
    • Knuppel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knuppelen
    • Knuppel je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl