knuppel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knup·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knuppel knuppels
verkleinwoord knuppeltje knuppeltjes

Zelfstandig naamwoord

knuppel m

  1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
    De bende kwam de straat in met knuppels en kettingen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
knuppelen

knuppel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knuppelen
    Ik knuppel.
  2. gebiedende wijs van knuppelen
    Knuppel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knuppelen
    Knuppel je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl