knip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knip
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘(vogel)val’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord knip knippen
verkleinwoord knipje knipjes

Zelfstandig naamwoord

knip v/m

  1. portemonnee
    • Joviaal trok hij de knip en betaalde de rekening. 
  2. schuifsluiting op een deur
    • De dieven kwamen binnen door via de brievenbus de knip van de deur te halen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets in de knip hebben
    iets behaald hebben
  • de hand op de knip houden
    niets uitgeven, zuinig zijn
  • geen knip voor de neus waard zijn
    niets waard zijn

Werkwoord

vervoeging van
knippen

knip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knippen
    • Ik knip. 
  2. gebiedende wijs van knippen
    • Knip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knippen
    • Knip je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen