kluiven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klui·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kluiven
kloof]
(kluifde)[1]
/’klʌʏ.və(n)/
gekloven
(gekluifd)[2]
/klof/
klasse 2 volledig

Werkwoord

kluiven

  1. inergatief een bot in handen houden en er vlees van afhappen
    • Toen het eten op tafel stond, begon hij meteen aan het bot te kluiven. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kluiven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kluif

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Niet officieel erkend
  2. Niet officieel erkend