kluif

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kluif
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bot met vlees’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1710 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kluif kluiven
verkleinwoord kluifje kluifjes

Zelfstandig naamwoord

kluif v / m [3] [4]

  1. (voeding) stuk been met vlees dat men er alleen afkrijgt door het af te kluiven
  2. (figuurlijk) iets dat veel werk en moeite kost (net zoals het afkluiven van voornoemde kluif)
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
kluiven

kluif

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluiven
    • Ik kluif. 
  2. gebiedende wijs van kluiven
    • Kluif! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluiven
    • Kluif je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen