gelui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gelui -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gelui o

  1. laten klinken van een torenklok of bel
    • Als hij buiten speelde, werd hij naar binnen geroepen door het gelui van een bel. [2]
    • Ze konden niet tegen het gelui van de klokken. [3]
  2. (bouwkunde) geheel van luidklokken zoals dat in een toren is geïnstalleerd
    • In 1505 giet hij het beroemde, nog steeds grotendeels bestaande gelui van de Utrechtse Domtoren. [4]
  3. (bouwkunde) hijsinstallatie in een windmolen
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Verwijzingen