klepel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kle·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klepel klepels
verkleinwoord klepeltje klepeltjes

Zelfstandig naamwoord

klepel m (de)

  1. peervormige staaf die in een klok bij het luiden tegen de rand slaat en zo de klok geluid doet geven
Uitdrukkingen en gezegden
  • Hij heeft de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt
hij heeft iets gehoord, trekt conclusies, maar kent niet het totaalplaatje
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klepelen

klepel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepelen
    • Ik klepel. 
  2. gebiedende wijs van klepelen
    • Klepel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klepelen
    • Klepel je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen