Naar inhoud springen

kleintje

Uit WikiWoordenboek
  • klein·tje
enkelvoud meervoud
naamwoord (kleine) (kleinen)
verkleinwoord kleintje kleintjes

hetkleintjeo

  1. persoon van klein formaat, kind, peuter
    • Pas jij even op de kleintjes? 
  2. voorwerp van klein formaat
    • We hebben alleen wat aan die flinke schelpen, gooi die kleintjes maar weer terug. 
  3. kleine bedragen, klein geld
    • Als je niet op de kleintjes let, ben je zo armpie af. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be