katwilg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

katwilg
Uitspraak
Woordafbreking
  • kat·wilg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord katwilg katwilgen
verkleinwoord katwilgje katwilgjes

Zelfstandig naamwoord

katwilg m [1]

  1. salix viminalis op Wikispecies een wilgensoort waarvan de tenen worden gebruikt als rijshout
    • En je had griendhout, vaak katwilg, netjes in rijen gepoot, afgezet op 60 cm of nog lager. ’s Zomers werden deze percelen gewied en de opkomende bossen gedund; aan mankracht nooit gebrek. Elke drie jaar werden de tenen afgehakt, een typisch winterwerkje. Dat was dan het fameuze rijshout voor zinkstukken ter versteviging van de bodem onder dijken of wegen. Of het ging naar de mandenmaker. [2] 
    • Na twee jaar zijn die tenen vier tot vijf meter lang en precies dik genoeg voor stevige constructies. Op de grienden van Johan Hermans groeien schietwilg en katwilg. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Koos van Zomeren 8 februari 2008 Het griendhout van toen
  3. De Standaard 08 NOVEMBER 2002 door Yo De Beule Tenen en grienden