karren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kar·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘smalle gleuven in kalksteen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961 [1]

Zelfstandig naamwoord

karren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kar

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen