jasje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jas·je
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord jasje jasjes

Zelfstandig naamwoord

jasje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord jas
  2. dim. tant. (kleding) kledingstuk dat romp en armen bedekt, van voren met knopen wordt gesloten en over andere kledingstukken wordt gedragen
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] jasje-dasje
    in formele kleding
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be