Naar inhoud springen

jasje

Uit WikiWoordenboek
  • jas·je
  • afgeleid van  jas zn  met het achtervoegsel -je
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord (jas) (jassen)
verkleinwoord jasje jasjes

hetjasjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord jas
  2. alleen verkleinwoord (kleding) kledingstuk dat romp en armen bedekt, van voren met knopen wordt gesloten en over andere kledingstukken wordt gedragen
     'Odelle ' Door de boogvormige doorgang naar de kamer keek hij naar het feest, dat geen kop of staart meer had en alleen nog een zee van uitgedrukte peuken en gilletjes was, lipjes van bierblikjes, nutteloos geworden haaraccessoires en een jasje dat verkreukeld op de vloer lag.[1]
     ' Hij lachte weer even, maar deed er toen het zwijgen toe en trok zijn modieuze leren jasje wat strakker om zich heen, alsof dat hem troostte.[1]
     ' Hij lachte weer even, maar deed er toen het zwijgen toe en trok zijn modieuze leren jasje wat strakker om zich heen, alsof dat hem troostte.[1]
  • [2] jasje-dasje
    in formele kleding
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2 3
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be