jasje
Uiterlijk
- jas·je
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | (jas) | (jassen) |
| verkleinwoord | jasje | jasjes |
het jasje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord jas
- alleen verkleinwoord (kleding) kledingstuk dat romp en armen bedekt, van voren met knopen wordt gesloten en over andere kledingstukken wordt gedragen
- ▸ 'Odelle ' Door de boogvormige doorgang naar de kamer keek hij naar het feest, dat geen kop of staart meer had en alleen nog een zee van uitgedrukte peuken en gilletjes was, lipjes van bierblikjes, nutteloos geworden haaraccessoires en een jasje dat verkreukeld op de vloer lag.[1]
- ▸ ' Hij lachte weer even, maar deed er toen het zwijgen toe en trok zijn modieuze leren jasje wat strakker om zich heen, alsof dat hem troostte.[1]
- ▸ ' Hij lachte weer even, maar deed er toen het zwijgen toe en trok zijn modieuze leren jasje wat strakker om zich heen, alsof dat hem troostte.[1]
- [2] jasje-dasjein formele kleding
- Het woord jasje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "jasje" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- 1 2 3 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -je in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Betekenis alleen als verkleinwoord in het Nederlands
- Kleding in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %