irrigeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ir·ri·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevloeien’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van het Franse irriguer met het achtervoegsel -eren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
irrigeren
irrigeerde
geïrrigeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

irrigeren

  1. overgankelijk, (landbouw) op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
    • Door te irrigeren kan in grote delen van de wereld voedsel verbouwd worden. 
  2. (medisch) (een wond, lichaamsholte) (met een irrigator) uitspoelen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen