instinctief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stinc·tief
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen instinctief instinctiever instinctiefst
verbogen instinctieve instinctievere instinctiefste
partitief instinctiefs instinctievers -

Bijvoeglijk naamwoord

instinctief

  1. direkt uit de instincten ontstaand zonder nadenken of beredeneren
    • Ik schaats naar de anderen toe, we schuiven een stukje op, nog iets dichter naar de rots. Het ijs is niet langer doorzichtig hier maar melkwit en bros. „Niet zo dicht bij de rots!” hoor ik Anna roepen, maar het is al te laat: samen met drie anderen zak ik door het ijs. Eerst tot mijn middel: het blok ijs waar ik op stond bevindt zich nog altijd onder me, en instinctief denk ik me erop te kunnen afzetten en zo weer uit het wak te klimmen. Maar dan schiet de minischots onder me vandaan en zink ik tot aan mijn nek. Niet kopje onder gelukkig: daar zorgt de rugzak voor. [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Gemma Venhuizen 9 december 2016