onwillekeurig
Uiterlijk
- on·wil·le·keu·rig
- antoniem van willekeurig met het voorvoegsel on-
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | onwillekeurig | onwillekeuriger | onwillekeurigst |
| verbogen | onwillekeurige | onwillekeurigere | onwillekeurigste |
| partitief | onwillekeurigs | onwillekeurigers | - |
onwillekeurig
- toevallig; zonder wil, regelmaat of oorzaak
- De man maakte onwillekeurige bewegingen.
- ▸ ' 'Ha!' Pamela schaterde het uit en ik moest onwillekeurig glimlachen; het was opwindend om het te vertellen.[1]
- zonder bewustzijn
- ▸ Chie's enige moeder is nu die rollende, glanzende bol, die zichzelf onwillekeurig eenmaal per jaar om de zon heen gooit.[2]
- Het woord onwillekeurig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "onwillekeurig" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Samantha Harvey“In Orbit” (2024), De Bezige Bij
, ISBN 9789403135625 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be