intuïtief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·tuï·tief, in·tu·itief
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen intuïtief intuïtiever intuïtiefst
verbogen intuïtieve intuïtievere intuïtiefste
partitief intuïtiefs intuïtievers -

Bijvoeglijk naamwoord

intuïtief

  1. gevoelsmatig, instinctmatig, gedachteloos
    • Albert weet niet wat hem overkomt, intuïtief pakt hij de schouder van de oude man en duwt. De dode rolt log om en komt op zijn buik te liggen. Albert heeft een paar seconden nodig voor hij het beseft. Dan springt de waarheid hem in het oog: als je op de vijand afgaat, sterf je niet door twee kogels in je rug. [1] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 19