automatisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·ma·tisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen automatisch automatischer
verbogen automatische automatischere
partitief automatisch automatischers -

Bijvoeglijk naamwoord

automatisch

  1. niet bestuurd door de hand van de mens
    • In dat gebouw staat een automatische machine te draaien. 
  2. vanzelfgaand
    • Ik heb dit klusje al zo vaak gedaan, de uitvoering gaat automatisch. 
     Zoals altijd richtte ik mijn slaapplaats direct bij aankomst in voordat ik te moe werd. Het ging op de automatische piloot en in minder dan twee minuten stond mijn tent klaar; een lichtgewicht ontwerp van ‘Zpacks’, een klein bedrijf uit Florida.[1]
  3. gedachteloos.
    • Dat was een automatische reactie van hem op het probleem. 
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

automatisch

  1. partitief van de stellende trap van automatisch
    • Dat is iets automatisch... 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Duits

Bijvoeglijk naamwoord

automatisch

  1. automatisch