insgelijks

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ins·ge·lijks
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

insgelijks

  1. eveneens, hetzelfde, evenzo
    • Ik wens je insgelijks een gezegend kerstfeest. 
Vertalingen

Tussenwerpsel

insgelijks

  1. gewoonlijk na een wens of groet: hetzelfde
    • Vrolijk kerstfeest! Insgelijks! 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen