inaccuraat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ac·cu·raat
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen inaccuraat inaccurater inaccuraatst
verbogen inaccurate inaccuratere inaccuraatste
partitief inaccuraats inaccuraters -

Bijvoeglijk naamwoord

inaccuraat

  1. niet nauwkeurig
    • VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR noemde de berichten over honderden slachtoffers inaccuraat. Volgens de UNHCR kan geen enkele overheidsinstantie duidelijkheid geven over het vermoedelijke overlijden van naar schatting vierhonderd mensen. [1] 
    • Bader reageerde met een verklaring dat het bericht „verrassend en inaccuraat” was. Maar hij ontkende niet de koper te zijn. Het net geopende Louvre Abu Dhabi meldde het schilderij te gaan exposeren. [2] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen