accuraat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·cu·raat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘nauwkeurig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1654 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen accuraat accurater accuraatst
verbogen accurate accuratere accuraatste
partitief accuraats accuraters -

Bijvoeglijk naamwoord

accuraat

  1. met grote nauwgezetheid uitgevoerd
    • Dat is geen accurate weergave van de gang van zake. 
  2. (statistiek) (in hoge mate) vrij van systematische fouten
    • Deze meting is weliswaar accuraat, maar niet erg precies omdat de willekeurige fouten vrij groot zijn. 
  3. (psychologie) nauwgezet en precies als karaktereigenschap van een persoon
    • De dwangmatige vrouw zou je natuurlijk ook accuraat kunnen noemen. 
    • Deze man is én heel accuraat én heel flexibel, want hij weet zich altijd tot de kern van de zaak te beperken. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen