accuraat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·cu·raat
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen accuraat accurater accuraatst
verbogen accurate accuratere accuraatste
partitief accuraats accuraters -

Bijvoeglijk naamwoord

accuraat

  1. met grote nauwgezetheid uitgevoerd
    Dat is geen accurate weergave van de gang van zake.
  2. (statistiek) (in hoge mate) vrij van systematische fouten
    Deze meting is weliswaar accuraat, maar niet erg precies omdat de willekeurige fouten vrij groot zijn.
  3. (psychologie) nauwgezet en precies als karaktereigenschap van een persoon
    De dwangmatige vrouw zou je natuurlijk ook accuraat kunnen noemen.
    Deze man is én heel accuraat én heel flexibel, want hij weet zich altijd tot de kern van de zaak te beperken.