huisraad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·raad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisraad -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

huisraad o en v/m

  1. de voorwerpen die horen tot de inrichting van een kamer, zoals een bank, stoel, tafel, kast, bed et cetera
    • Toen hij thuiskwam stond zijn huisraad op straat. 
    • Mijn complete huisraad had ik in verhuisdozen gepropt. Fonduevorken, een ficus en wat begonia's die ik van Alexander had gekregen. Enkele delen van de Winkler Prins lagen in de laadruimte verspreid tussen wat kleding. Ik had voor de zekerheid mijn oude judopakken ingepakt, hoewel ik na mijn dertiende niet meer gejudood heb. Maar ik wilde het goed doen. 'Pak alles, en neem het zo snel mogelijk mee', had mijn moeder gezegd. [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. huisraad op website: Etymologiebank.nl
  2. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 54