Naar inhoud springen

inboedel

Uit WikiWoordenboek
  • in·boe·del
enkelvoud meervoud
naamwoord inboedel inboedels
verkleinwoord inboedeltje inboedeltjes

deinboedelm

  1. de gebruiksvoorwerpen die horen tot de inrichting van een huis, zoals het meubilair, klein- en groothuishoudelijke apparatuur en de huishoudwaar (keukengerei en tafelwaar)
    • De inboedel was goed verzekerd, dus na de brand konden we nieuwe meubels kopen. 
98 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[2]