Naar inhoud springen

hud

Uit WikiWoordenboek
Huid
Huid


  • hud
  • Afkomstig van het Oudnoordse zelfstandige naamwoord  húð zn 
Naar frequentie 2151
[1] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huden     -     -  
genitief   huds     hudens     -     -  
[2] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huden     huder     huderne  
genitief   huds     hudens     huders     hudernes  

hud, g

  1. (anatomie) huid (zonder meervoud)
  2. (handel) huid (vaak gebruikt in het meervoud)
    «Han var grosserer i huder og skind.»
    Hij was een koopman in huiden en vellen.


  • hud
  • Afkomstig van het Oudnoordse woord  húð zn 
Naar frequentie 2639
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     m: huden
v: huda  
  huder     hudene  
genitief   huds     m: hudens
v: hudas  
  huders     hudenes  

hud, m / v

  1. (anatomie) huid
  2. (handel) huid
  3. (scheepvaart) huid


  • hud
  • Afkomstig van het Oudnoordse woord  húð zn 
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huda     huder     hudene  

hud, v

  1. (anatomie) huid
  2. (handel) huid
  3. (scheepvaart) huid


  • hud
Naar frequentie 3270
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huden     hudar     hudarna  
genitief   huds     hudens     hudars     hudarnas  

hud, g

  1. (anatomie) huid