hud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Huid.
Huid.

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • hud
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord húð
[1] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huden     -     -  
genitief   huds     hudens     -     -  
[2] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huden     huder     huderne  
genitief   huds     hudens     huders     hudernes  

Zelfstandig naamwoord

hud, g

  1. (anatomie) huid (zonder meervoud)
  2. (handel) huid (vaak gebruikt in het meervoud)
    «Han var grosserer i huder og skind.»
    Hij was een koopman in huiden en vellen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • hud
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord húð
Naar frequentie 2599
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     m: huden
v: huda  
  huder     hudene  
genitief   huds     m: hudens
v: hudas  
  huders     hudenes  

Zelfstandig naamwoord

hud m / v

  1. (anatomie) huid
  2. (handel) huid
  3. (scheepvaart) huid
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • hud
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord húð
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huda     huder     hudene  

Zelfstandig naamwoord

hud v

  1. (anatomie) huid
  2. (handel) huid
  3. (scheepvaart) huid
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • hud
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hud     huden     hudar     hudarna  
genitief   huds     hudens     hudars     hudarnas  

Zelfstandig naamwoord

hud, g

  1. (anatomie) huid
Synoniemen