herleiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·lei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herleiden
herleidde
herleid
zwak -d volledig

Werkwoord

herleiden [2]

  1. overgankelijk door logisch redeneren terugvoeren op iets fundamenteels
    • Ze wisten dat te herleiden op een fout in een eerder besluit. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen