heimelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hei·me·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geheim, verborgen’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1]
  • afgeleid van heim (huis) met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen heimelijk heimelijker heimelijkst
verbogen heimelijke heimelijkere heimelijkste
partitief heimelijks heimelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

heimelijk

  1. geheim, opzettelijk verborgen
    • Een heimelijke glimlach verraadde zijn intenties, maar niemand keek. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen