habitus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·bi·tus
Woordherkomst en -opbouw
  • van Latijn  habitus zn , in de betekenis van ‘uiterlijke gedaante’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1803 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord habitus habitus
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

habitus m

  1. gewone uiterlijke gedaante, houding of gedrag bij mens, plant en dier
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord habitus
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen