gig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. lange, smalle roeiboot
2. kleine open wagen
Uitspraak
Woordafbreking
  • gig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gig gigs
verkleinwoord gigje gigjes

Zelfstandig naamwoord

gig v/m

  1. lange, smalle roeiboot, waarin de roeiers alleen achter elkaar en niet naast elkaar zitten
    • De roeiers zitten in een gig alleen op hun eigen bank (...) [2]
    • Op onze geheele reis hebben wij geen enkel vaartuig ontmoet, dat ons kon volgen, uitgezonderd de Gig (eene ligte roeischuit) van het [f]regat Curaçao, (...) [3]
  2. (historisch) kleine open wagen met twee wielen getrokken door één paard
    • Daar kwam een gig aanrijden. [4]
  3. optreden van jazz- of popmuzikanten
    • Op 6 mei 1964 had Joe een gig gehad in de nachtclub Mardi Gras. [5]
  4. gigabyte
    • Houd dus 1,9 gig vrij op je harde schijf om volledig van de game te kunnen genieten. [6]
  5. gigabit per seconde
    • Voor een aantal wetenschappelijke toepassingen kun je niet uit met 10 maal 10 gigabit, maar heb je echt 100 gig nodig [7]
Schrijfwijzen
Synoniemen

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Woordherkomst en -opbouw
  • [1],[2]
  • [3] eerste attestatie uit 1926 in het blad Melody Maker, herkomst onzeker[1]
  • [4],[5] (verkorting) van gigabyte

Zelfstandig naamwoord

gig

  1. lange, smalle roeiboot, waarin de roeiers meestal achter elkaar en niet naast elkaar zitten
  2. kleine open wagen met twee wielen getrokken door één paard
  3. optreden van jazz- of popmuzikanten
  4. gigabyte
  5. (visserij), (verouderd) speer met meer punten naast elkaar
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening

Verwijzingen